Mathijs Bouman is journalist en econoom. Bouman treedt wekelijks op als beurscommentator bij RTL-Z en een regelmatige gast bij De Wereld Draait Door. Hij is vaste columnist bij De Groene Amsterdammer en de business-site Z24.nl. In VT Wonen schrijft Bouman een maandelijkse column over de verbouwing van zijn huis.In maart 2010 verscheen Bouman’s nieuwe boek: De Elektrische Spijkerbroek, en andere avonturen in de economie.
-------------------------------------------------------------------
Bezuinigingen zullen de recessie nog veel dieper maken - misschien wel zo diep dat het ook de welvaart van de volgende generatie bedreigt.
In de tijd dat u deze zin leest is de Nederlandse staatsschuld met vijfduizend euro opgelopen. Als u dit artikel straks uitheeft, staat Nederland ongeveer zeven ton extra in het rood. De economische crisis holt de overheidsfinanciën met ongekende snelheid uit. Op Prinsjesdag 2008 presenteerde Minister van Financiën Wouter Bos nog een Miljoenennota met een fors overschot op de begroting en een snel dalende staatsschuld. Bos spreekt bij het aanbieden van zijn begroting aan het Parlement van een ‘historisch uniek niveau’. De schuld van de overheid zal binnen enkele jaren kleiner zijn dan in enig jaar sinds 1814, ‘toen we met het registreren ervan begonnen’.
Kredietcrisis
Een jaar later is er van die hoopvolle voorspelling niets meer over. Wouter Bos – zichtbaar grijzer dan twaalf maanden eerder – presenteerde een van de slechtste begrotingen sinds de Tweede Wereldoorlog. Door de kredietcrisis en de daaropvolgende diepe recessie dalen de belastinginkomsten terwijl de overheidsuitgaven stijgen. De begroting vertoont in 2010 het grootste tekort in decennia. Eind volgend jaar heeft Nederland daardoor een staatsschuld ter waarde van zo’n 66 procent van het binnenlands product (bbp) – het hoogste percentage sinds 1997. De schuld bedraagt bijna 375 miljard euro. Dat is zo’n dertigduizend euro per volwassen Nederlander, of ruim een halve ton per huishouden. Het is een gedachte die een avondwandeling door de stad flink kan bederven. Achter iedere voordeur in iedere straat tikt een financiële tijdbom. Achter ieder raam woont een gezin dat zucht onder een schuldenlast van anderhalf maal een modaal jaarinkomen.
Eigenlijk is het nog erger. Want bovenop die collectieve schuld hebben veel Nederlanders ook nog een flinke particuliere schuld gestapeld. In 2008 stonden we met z’n allen negen miljard euro rood bij de bank. We hadden persoonlijke leningen lopen voor een bedrag van 25 miljard. En op onze huizen rustte een hypotheek van in totaal 591 miljard euro. Tel dat op bij de staatsschuld en je komt uit op een totale schuldenlast van duizend miljard euro – ofwel één biljoen. De gezamenlijke schuld van de Nederlandse burgers schrijf je met tien nullen.
Neem even de tijd om aan dat idee te wennen. Later meer over het enorme getal zelf. Nu concentreren we ons eerst op dat woord: schuld. Het heeft volgens Van Dale twee verschillende hoofdbetekenissen. Ten eerste is schuld het totale bedrag aan niet-afbetaalde leningen uit het verleden. Ten tweede is het de omstandigheid dat men een overtreding of een verkeerde daad heeft gedaan, waarvoor men boete moet doen. Schuld is dus niet alleen een geldelijke verplichting, maar ook het gevolg van moreel verkeerd gedrag. Voeg beide betekenissen samen en het maatschappelijke oordeel over geld lenen is duidelijk: schuld is fout.
Dat is overigens niet alleen in de Nederlandse taal zo. Het Duitse Schuld heeft dezelfde dubbele betekenis als bij ons, net als het Zweedse skuld. Het Engelse debt heeft naast de financiële betekenis ook de theologische betekenis van zonde. Die laatste duiding hebben de Angelsaxen er zelf aan gegeven, want de oorsprong van debt, het Latijnse dehibere betekent letterlijk ‘niet hebben’. Dat is een precieze omschrijving van schuld als financieel tekort maar heeft niets te maken met schuld in morele zin. Het ook van de Latijnse term afgeleide Franse dette gaat nog altijd moreel onbelast door het leven, net als het Italiaanse debito.
Het zijn, kortom, de noordelijke Europeanen die bij schuld aan hel en verdoemis denken. Dat is geheel in lijn met hun calvinistische inslag; eerst sparen dan pas uitgeven, leerde men van oudsher in de protestante landen. In Zuid-Europa ziet men het opbouwen van schuld wat minder zwaar in. Waarom wachten als je nu al kunt genieten?
Stabiliteitspact
Natuurlijk, het is een grove generalisatie. Maar bij de maatschappelijke houding ten aanzien van oplopende staatsschuld is het verschil tussen Noord- en Zuid-Europa overduidelijk. In landen als Nederland en Duitsland ziet de bevolking een stijgende staatsschuld als een teken van falend beleid. In Frankrijk of Italië oordeelt het publiek milder. Een overheid die hard bezuinigt krijgt daar juist veel kritiek.
Dit verschil in afkeer voor schuld gaf grote politieke problemen tijdens de voorbereidingen voor de invoering van de euro. Duitsland en Nederland eisten dat toekomstige eurolanden hun staatsschuld in de hand zouden houden. Een hoge schuldenlast van een enkel euroland zou leiden tot een zwakkere euro en een hogere rente in alle eurolanden, redeneerden beide landen. Als een euroland teveel leent, betalen alle eurolanden daarvoor de prijs.
Onder voorzitterschap van Nederland en onder zware druk van de Duitse politiek, kwam in 1997 het Stabiliteitspact tot stand. De toekomstige eurolanden beloofde hun begrotingstekort onder drie procent van het bbp te houden, en de staatschuld onder zestig procent. Bij schuld hoort boete, redeneerden de Noord-Europese politici, geheel naar hun volksaard. Dus volgens het Stabiliteitspact kan een euroland dat de schuld laat oplopen een miljardenboete krijgen.
Schuld, overtreding, boete. Voor de Nederlandse en Duitse politici was het Stabiliteitspact een logisch geheel. De zuidelijke lidstaten zagen het met verbazing aan. Waarom doen Nederland en Duitsland toch zo moeilijk over iets hogere tekorten en een beetje meer schuld? Ze ondertekenden het pact wel, maar gingen er met duidelijke tegenzin mee aan de slag.
Uiteindelijk zouden landen als Frankrijk, Italië en Griekenland zich wel kwalificeren voor de euro, maar niet door keihard te bezuinigen. Met eenmalige belastingverhogingen en tijdelijk uitstel van uitgaven werden de begrotingen opgepoetst. In Italië verkocht de overheid toekomstige inkomsten aan investeerders. Zo werden nog niet geïnde pensioenpremies doorverkocht aan buitenlandse banken – ongeveer met dezelfde technieken die in de Verenigde Staten werden gebruikt om slechte hypotheken door te verkopen en die later tot de kredietcrisis zouden leiden.
De Grieken waren het brutaalst
De cijfers werden niet opgepoetst, maar simpelweg vervalst. Tussen 1997 en 2003 gaf de Griekse overheid structureel te lage begrotingstekorten door aan Brussel, zo bleek uit Europees onderzoek in 2004. Als Griekenland de juiste cijfers had overlegd over zijn financiële positie, had het land waarschijnlijk niet mee mogen doen met de euro.
Direct vanaf de start had het eurogebied dus veel weg van wat de Amerikanen een disfunctional family noemen. Terwijl het ene gezinslid hard werkte en braaf iedere maand wat geld op een spaarrekening zette, vierde een ander alleen maar feest en verbraste het spaargeld. In zo’n gezin blijkt het opportunisme van de feestvierder vaak besmettelijk. Als moeder ziet dat vader weer teveel heeft uitgegeven voor een nog grotere plasma-tv, wordt ze op den duur ook minder voorzichtig met geld.
Zo ging het in het eurogebied ook. Zelfs in Duitsland liep na de invoering van de euro het begrotingstekort op en nam de staatsschuld toe. En sinds het uitbreken van de kredietcrisis houdt geen land zich meer aan de begrotingsnormen van het Stabiliteitspact. De economie moet worden gestimuleerd, dus alle remmen zijn van de begroting afgehaald. Volgend jaar zal ook in Nederland het tekort meer dan drie procent en de staatsschuld meer dan zestig procent bedragen, zoals Wouter Bos zich eind vorig jaar realiseerde. We zijn nu allemaal Italianen.
Lenen is niet fout
Hoe erg is dat? Er zijn economen die protesteren tegen de oplopende schulden. We bestrijden de kredietcrisis met het geld van onze kinderen want zij zijn het die de schuld straks moeten afbetalen. Maar de meeste economen zijn toch van mening dat bezuinigen de recessie nog veel dieper zal maken - misschien wel zo diep dat het ook de welvaart van de volgende generatie bedreigt. Geld lenen om dat scenario te voorkomen moet kunnen, al zou het netjes zijn om nu ook alvast maatregelen te nemen die de schuld in de toekomst weer verminderen. Bijvoorbeeld door te bepalen dat de huidige dertigers en veertigers straks langer doorwerken.
Hieruit blijkt al dat economen nogal pragmatisch denken over schuld en tekorten. In de economische wetenschap is schuld niet zondig of moreel verwerpelijk. Lenen is niet fout, net zo min als sparen bij voorbaat deugt. Economen kiezen voor de Latijnse visie op schuld. Schuld en boete hebben volgens de economische principes niets met elkaar te maken. Sterker nog: zonder schuld kan er geen spaargeld zijn. Als je wilt dat mensen sparen, heb je ook mensen nodig die lenen. De wereldeconomie is nu eenmaal een gesloten systeem. Een spaarder verwacht rente van zijn bank en die bank kan zo’n vergoeding alleen maar geven door het spaargeld aan iemand anders uit te lenen en daarvoor een (natuurlijk iets hogere) rentevergoeding te vragen.
Iedere oproep om meer te gaan sparen, is dus ook een stilzwijgend pleidooi voor meer lenen. En wie vindt dat de kredietgroei te hoog is in de wereld – sinds de kredietcrisis een veelgehoord commentaar – moet logischerwijs ook strijden voor minder sparen. Met iedere euro die de Italiaanse overheid leent, maakt ze het een spaarder elders in de wereld mogelijk om een euro rendabel opzij te zetten. Zonder overheidstekorten waren er geen staatsobligaties, en zonder staatsobligaties konden pensioenfondsen hun geld niet veilig beleggen.
Er is nog meer dat pleit voor schuld. Behalve een dienst aan de spaarder, bewijst de lener vaak ook een dienst aan zichzelf. Als het geleende geld rendabel wordt ingezet blijft er na de rentebetaling nog een leuke winst over. De ‘Gouden Financieringsregel’ die economen bedachten luidt dan ook: lenen mag voor investeringen met een rendement van minimaal het rentepercentage van de lening.
Bedrijven hebben dit al eeuwen door
Zij hebben het niet over schuld, maar over ‘vreemd vermogen’, een begrip waar de calvinistische last van zonde en boete niet aan kleeft. Een bedrijf met veel vreemd vermogen heet ‘scherp gefinancierd’. En een bedrijf met alleen eigen vermogen op de balans, maakt geen gebruik van het lucratieve ‘hefboomeffect’ en doet zijn aandeelhouders te kort.
Onder burgers is de Gouden Financieringsregel veel minder aanvaard. Natuurlijk, ook huishoudens lenen volop, maar het geld gaat vaak naar consumptiegoederen als auto’s of dure elektronica. Het rendement daarvan is negatief. Zodra de nieuwe eigenaar zijn auto uit de showroom heeft gereden, is het ding al vijf tot tien procent in waarde gedaald. We lenen veel, maar voor de verkeerde dingen.
Met lenen voor rendabele investeringen is de gemiddelde Nederlander veel voorzichtiger, bijvoorbeeld met investeren in een goede opleiding. De studielening is misschien wel de meest rationele lening die een mens kan aangaan. Het rendement (een hoger salaris gedurende de rest van je leven) is meestal veel hoger dan de rente op de studielening. Toch kiest meer dan 60 procent van de Nederlandse studenten ervoor niet te lenen. Ze nemen liever een of twee baantjes dan dat ze een schuld opbouwen bij de overheid. Gemiddeld werkt een Nederlandse student twee tot drie dagen per week, zo bleek onlangs uit onderzoek. Dat is objectief gezien een absurde keuze. In die drie dagen had zo’n student ook een tweede studie kunnen doen of een MBA kunnen halen. Voor iemand met zo’n opleiding is het afbetalen van een studieschuld een lachertje.
IJsjes voor ambtenaren
Lenen op zich is dus niet kwalijk, maar lenen voor de verkeerde dingen wel. Veel burgers doen dat en de meeste overheden ook. De Gouden Financieringsregel blijft voor de meeste regeringen een tegelwijsheid zonder praktische relevantie. Ook de Nederlandse overheid – altijd bereid om het begrotingsbeleid van andere landen te bekritiseren – heeft in het verleden vooral geld geleend om de overheidsconsumptie op peil te houden. “We lenen om ijsjes voor ambtenaren te kunnen kopen,” schamperde de Amsterdamse econoom Rick van de Ploeg ooit. De ijsjes zijn al op, maar de schuld blijft.
Maar niet alles van de één biljoen euro aan schuld van Nederlandse burgers en overheid, uit het begin van dit artikel, is opgegaan aan ijsjes. Ruim de helft is besteed aan bakstenen en dakpannen. Tegenover de 591 miljard euro aan woonhypotheken staat een waardevol huizenbestand, een redelijk waardevaste investering in woongenot, netjes binnen de grenzen van de Gouden Financieringsregel. Bovendien is het vanwege de renteaftrek in Nederland voordelig om de hypotheekschuld op papier zo hoog mogelijk te houden, en aflossingen op een aparte rekening te sparen. Tegenover de schuld staat dus een flinke spaarpot. Maar voor de overblijvende schuldenlast van 409 miljard is dat nauwelijks het geval. Ook al hebben economen die stellen dat lenen niet slechter of beter is dan sparen in theorie het gelijk aan hun kant, die schuld zullen we met pijn en moeite, met piepen en kraken, af moeten lossen. Direct als de kredietcrisis en recessie voorbij zijn, en de economie weer enigszins op gang komt moeten huishoudens en overheid daarmee beginnen. De opvolger van Wouter Bos zal in september 2011 met een Miljoenennota moeten komen waarin geen vier, maar veertig jaar met overschotten wordt voorspeld. Want alleen in jaren met een begrotingsoverschot kan de staatsschuld dalen. Net zo lang tot we onze zondige schuld hebben ingelost.