Nadja Jungmann is adviseur bij Social Force en lector schulden en invordering aan de Hogeschool Utrecht, faculteit maatschappij en recht. De 36-jarige Jungmann geldt als één van de toonaangevende specialisten in Nederland op het gebied van schuldhulpverlening. Ze waarschuwt voor gelijktijdige ontwikkelingen bij gemeenten en in de invorderingswereld, die de schuldhulpverlening in een steeds complexere situatie plaatsen.

Met minder middelen meer doen onder steeds ingewikkelder omstandigheden. Dat is de korte samenvatting van de situatie van de schuldhulpverlening volgens Nadja Jungmann. ”Er is een toename van het aantal aanvragen, in sommige gemeenten 20 tot 30 procent. Die toename is meestal – met uitzondering van de groep ZZP-ers – niet direct gerelateerd aan de crisis. Eerder is zij een gevolg van de praktijk in daaraan voorafgaande jaren, waarin DSB-bank en consorten op de commerciële zenders ongehinderd de hele dag spotjes konden uitzenden waarin ze lieten zien dat je pas gelukkig wordt door een nieuwe keuken. Die spotjes zijn nu verboden, maar hun gevolgen zijn nu pas zichtbaar. Want er zitten vaak jaren tussen het moment dat mensen verplichtingen aangaan en het moment dat ze aankloppen bij schuldhulpverlening. Meestal slagen mensen er nog een flinke periode in om het ene gat met het andere te vullen, totdat ze er echt niet meer uitkomen.”
De schuldhulpverlening heeft dus te maken met de ongelukkige samenloop van omstandigheden dat juist in deze tijd, waarin extra middelen van de rijksoverheid wegvallen en gemeentes zelf gedwongen zijn tot bezuinigingen, ’uitgestelde’ schuldsituaties naar buiten komen. Het feit dat steeds meer schuldeisers de bevoegdheid krijgen om zelfstandig inkomensbeslag te leggen maakt de situatie nog ingewikkelder. Jungmann: ’De belastingdienst heeft bijvoorbeeld sinds afgelopen november de bevoegdheid om tot drie keer per jaar 1000 euro van je bankrekening af te schrijven. Zorgverzekeraars mogen na een half jaar via het College van Zorgverzekeringen rechtstreeks achterstallige premie en boete afschrijven. Wat je ziet is dat er steeds meer crediteuren zijn die nieuwe bevoegdheden krijgen. Daar komt nog bij dat griffierechten en dus de invorderingskosten verhoogd gaan worden, waardoor de bereidheid om mee te werken aan een regeling bij crediteuren zal verminderen. Ik hoop dat crediteuren zich realiseren dat wat er in hun wereld gebeurt bijdraagt aan het niet-functioneren van de schuldhulpverlening”, zegt Jungmann. ”Als veel crediteuren niet tevreden zijn over schuldhulpverlening, dan heb ik daar begrip voor. Maar crediteuren mogen ook de hand in eigen boezem steken.”
Onbeheersbare dossiers
Schuldhulpverleners worden vaker en vaker geconfronteerd met dossiers waarin zich steeds nieuwe feiten kunnen voordoen. Jungmann: ”Had mevrouw Pieterse eerst nog budget voor het inlopen van een huurschuld, het volgende moment blijkt de rekening leeggehaald door de belastingdienst. De woningcorporatie zegt dan tegen mevrouw: u komt de regeling niet na, we gaan er niet mee door. Einde oefening.”
Deze situatie leidt tot een verscherpte concurrentie tussen bepaalde typen schuldeisers. Het zijn immers vooral overheidsinstanties, of instanties die dicht bij de overheid staan, die deze nieuwe bevoegdheden krijgen. Jungmann waarschuwt voor groeiend ongenoegen bij kleinere schuldeisers, en vermindering van hun bereidheid om mee te werken aan een regeling. ”De bloemist zal zich vastbijten in zijn zaak, en zijn bereidheid om mee te werken aan een regeling wordt minder naarmate de grote schuldeisers hun eigen belang beter bewaakt hebben. Het veld rond een schuldsituatie gaat op een voetbalveld zonder scheidsrechter lijken.”
Intussen is overzicht juist essentieel bij het oplossen van een schuldsituatie, aldus Jungmann. Zelf kwam zij in aanraking met de schuldhulpverlening tijdens een stage bij de D66 Tweede Kamerfractie, toen zij zich daar vooral bezig hield met armoedebeleid. Ze deed vervolgens promotieonderzoek op het gebied van schuldhulpverlening en adviseerde tal van instanties. Wat haar vooral aan het onderwerp verbond waren interviews met mensen die in de schulden zaten, en waarbij ze de armoede van de mensen zelf ervoer: in een kamer op een witte tuinstoel, alleen thee in de aanbieding, een bananendoos in een hoek als kleerkast. In de kern gaat het volgens Jungmann bij de schuldproblematiek niet om de hoeveelheid geld die mensen (niet) hebben, maar om de vraag of mensen hun financiën op orde hebben. Waar het mis gaat speelt een gebrek aan vaardigheden vaak de hoofdrol: niet goed kunnen lezen en schrijven, niet goed kunnen plannen, niet weten hoe reclame werkt. En daarachter ligt vaak weer een immateriële problematiek: GGZ-problematiek, verslavingen, relatieproblemen, zwakke sociale situatie, enzovoorts. Deskundigen zijn het er algemeen over eens dat schuldhulpverlening tevens een aanpak van de achterliggende problematiek vraagt. In de nieuwe wet op de gemeentelijke schuldhulpverlening – waaraan Jungmann met vooronderzoek meegewerkt heeft – wordt dan ook een geïntegreerde aanpak van een schuldsituatie verplicht gesteld.
Doorlooptijd verkorten
Al met al is de situatie die Jungmann schildert weinig rooskleurig. ”Aan de ene kant moeten de gemeenten een integrale hulpverlening realiseren, terwijl ze méér mensen moeten helpen met minder middelen. En aan de andere kant staan ontwikkelingen in de invorderingswereld een overzichtelijke afhandeling van dossiers in de weg. Zetten die ontwikkelingen zich door, dan hebben we over drie jaar wel een heel ingewikkelde puzzel in elkaar te leggen.”
Hoe kan de schuldhulpverlening aan die omstandigheden het hoofd bieden? Jungmann kijkt vooral naar de doorlooptijd – de tijd tussen een eerste melding en het tot stand komen van een regeling. Dit is immers het grootste probleem van de doorsnee schuldsanering: frustrerend voor de schuldenaar, demotiverend voor de schuldeiser, en veel te kostbaar voor de samenleving. De te lange doorlooptijd maakt dat het bedrag van de eenmaal bereikte schuldaflossing soms niet meer dan een symboolwaarde heeft in verhouding tot de kosten voor de crediteuren en de samenleving.
Jungmann ziet wel manieren om die situatie te doorbreken. Bijvoorbeeld dat de gemeente niet langer een lening aan de schuldenaar verstrekt om schulden te saneren, maar dat zij zelf de schulden opkoopt van de schuldeisers. In allerlei fases van het dossier kan zij dan actiever optreden en zo de doorlooptijd aanzienlijk inkorten. Een andere manier zou zijn om te kijken naar het Amerikaanse model: een faillissement zonder onze ’opheffing bij gebrek aan baten’. Voor de schuldenaar wordt dan een streep getrokken: over drie maanden begint de eerste dag van de rest van je leven. ”Maar deze oplossing” beklemtoont Jungmann, ”mag niet misbruikt worden. Het belangrijkste principe moet overeind blijven: dat iedereen die kan betalen, ook moet betalen. Het belangrijkste is dat we in de komende jaren een einde maken aan hoge kosten en vertragingen, die de schuldaflossing als zodanig alleen maar onnodig belasten. En dat in goede samenwerking van alle partijen - ook van de crediteuren en de gerechtsdeurwaarders.”