De Amsterdamse houtzagersknecht Klaas Ris moest in de tweede helft van de negentiende eeuw zien rond te komen van zes gulden in de week - mét vrouw en drie kinderen. Aan het opzij leggen van geld viel dus nauwelijks te denken. Gerard Borst, onderzoeker geldcultuur bij het Geldmuseum in Utrecht, over de opkomst van de ’kleine spaarder’ die met stuivers, dubbeltjes en kwartjes een kleine reserve opbouwde dankzij het huisbusjesspaarstelsel.

Rond het midden van de negentiende eeuw leeft een groot deel van de Nederlandse bevolking in bittere armoede. Multatuli (1820-1887) behoort tot de eerste cultuurdragers die hierop de aandacht vestigen. Als geen ander kan de grote schrijver bijtend uit de hoek komen. Een hoogtepunt wat dit betreft is de tekst die hij in 1864 als ’Idee 451’ de wereld instuurt. Geïnspireerd door de Franse publicist Frédéric Le Play – een pionier op het gebied van de empirische sociologie – schrijft Multatuli dat hij nieuwsgierig is gemaakt naar het wel en wee van het gewone volk van Nederland. ’Hemeltergend’ is het woord dat zich in dit verband aan de auteur opdringt. Volgens hem is de toestand van de werkman bij ons nog belabberder dan die van zijn standgenoten elders in Europa.
Zoals ook in zijn overige werk meet Multatuli zich in ’Idee 451’ het air aan van iemand die niet aan de zijlijn wil blijven toekijken. Hij moet en hij zal op audiëntie bij koning Willem III. Het is zaak de monarch enkele Nederlandse gezinsbudgetten voor te leggen, opdat hij gaat beseffen ’hoe de arme drommels gevoed worden, die zo schreeuwen en geestdriften als hij Amsterdam bezoekt.’ Multatuli is nooit bij de koning geweest. Waarschijnlijk zou hij sowieso niet tot de vorst hebben kunnen doordringen, maar hij liet ook na de benodigde budgetten te verzamelen. Toch past ons wel enige dankbaarheid. ’Idee 451’ verscherpt namelijk ons inzicht in de negentiende-eeuwse sociale werkelijkheid doordat de auteur in elk geval één gezinsbudget opnam: dat van Klaas Ris, houtzagersknecht te Amsterdam. Dankzij Multatuli werd Ris de beroemdste arbeider van de negentiende eeuw. Zijn bestaan was er niet minder schamel om. De houtzagersknecht had een vrouw en drie kinderen en moest zien rond te komen van zes gulden in de week. Het gezin was zo arm als de luizen en een onevenredig groot deel van het loon ging op aan voedsel.
Begrafenisfonds
Uit meerdere bronnen kan worden geconcludeerd dat rond 1850 de voedingslasten een ongekend zware wissel trokken op het arbeidershuishoudbudget. Bijna 60 procent van het uitgaventotaal had met eten te maken, een percentage dat duidt op schrijnende armoede. Nadat de huur was betaald en het gezin in de kleren gestoken, schoot er weinig over voor de bevrediging van andere behoeften.
Tot in de jaren 1870 duurde deze situatie voort. Pas daarna ging het bergop en daalde het deel van de gezinsuitgaven dat aan voeding moest worden besteed van 58 naar 48 procent. Het doorsnee arbeidersgezin van 1910 was minder arm dan dat van 1850, maar nog steeds allesbehalve welvarend. Die armoede ging hand in hand met een geringe spaarcapaciteit. Aan het opzij leggen van geld viel nauwelijks te denken.
Hoewel de zaken tegen de eeuwwisseling lichtjes begonnen te veranderen, was sparen bij de bank een strategie die was voorbehouden aan de middenklasse. Maar er waren meer manieren om geld te reserveren voor toekomstig gebruik. Zo was de werkende stand van Nederland in de periode na 1850 bijna hoofd voor hoofd lid van een begrafenisfonds. ’Beneden den burgerstand is haast ieder in een fonds’, zoals een onderzoeksrapport uit die tijd het omschrijft.
Uit die populariteit voor deze spaarvorm blijkt dat ook in de lagere sociale milieus groot belang werd gehecht aan een fatsoenlijke begrafenis. Daarvoor legde men hoe dan ook een bedragje opzij: ’Zoolang mogelijk,’ aldus het rapport, ’worden de centen voor het fonds opgebracht.’ Een begrafenis ’van de armen’ (door kerk of gemeente) was een schande die tot elke prijs werd vermeden. De auteur dichtte de fondsen in dit verband een nuttige functie toe: ’Zij maken [...] hunne leden vertrouwd met het denkbeeld van verzekering, van voorzorg; zij dwingen zelfs hen, die het moeilijkst iets kunnen missen, tot sparen, op hoe kleine schaal het dan ook moge wezen.’
De eerste arbeidersspaarmethode
Zoals gezegd was het doorsnee arbeidersgezin van 1910 minder arm dan dat van 1850. Dit is de uitkomst van onderzoek in Nederland in het algemeen. Maar hetzelfde verhaal gaat op voor Amsterdam, waar ik zelf onderzoek deed. Rond 1910 stond de werkende stand in de hoofdstad er nog niet zo slecht voor. Maar in 1914 brak de Grote Oorlog uit en werd de betrekkelijke voorspoed ernstig bedreigd. Tegen het eind van de oorlog blijkt het voedseluitgavenpercentage weer boven de 50 procent uit te komen. Pas rond 1920 is er sprake van een echt omslagpunt en wordt de situatie van de arbeider een stuk rooskleuriger. Deze welvaartsstijging ging gepaard met een forse verruiming van de mogelijkheid om te sparen. Een sleutelrol daarin speelde de Spaarbank voor de Stad Amsterdam en het bij deze bank functionerende huisbusjesspaarsysteem – een systeem dat met recht kan worden aangemerkt als een van de eerste echte arbeidersspaarmethoden.
De Spaarbank voor de Stad Amsterdam was opgericht in 1848 en was, op de Rijkspostspaarbank na, de belangrijkste instelling in de hoofdstad die het sparen faciliteerde. In de eerste decennia na de eeuwwisseling maakte de bank een snelle groei door. Rond 1910 was er naast een hoofdbureau sprake van zes bijbureaus. Midden jaren dertig waren dat er al vijftien, waarvan een aantal gevestigd was in echte arbeiderswijken.
In 1907 voerde de Spaarbank voor de Stad Amsterdam het huisbusjesspaarsysteem in. Dat stelsel was een jaar of twintig eerder uitgevonden in Amerika en al op veel plaatsen in de wereld in gebruik. Zelfs in Nederland was het niet nieuw: de Nutsspaarbank te Groningen was in 1906 als eerste spaarbank in het land met de afgifte van zulke busjes begonnen. In de jaren daarna schoot deze spaarfaciliteit in het hele land wortel. Het stelsel was toegesneden op de maat van mensen die met stuivers, dubbeltjes en kwartjes kleine bedragen bij elkaar spaarden. De spaarders kregen van de spaarbank een spaarbusje in bruikleen, dat zij mee naar huis namen. Ze konden het zelf niet openen, de sleutel bleef bij de spaarbank. Thuis kon een busjesspaarder dus niet in de verleiding komen zich meester te maken van de inhoud van zijn busje. Grof geweld was wel een optie, maar men moest van goeden huize komen om het busje, eigenlijk een kluisje, kapot te krijgen. Nee, de beoogde manier om het busje te legen, was naar de spaarbank gaan. De busjeshouder bezocht de spaarbank hooguit drie keer per jaar. Een bankbediende leegde dan het busje en schreef het gespaarde bedrag bij in een op naam van de busjeshouder gesteld spaarbankboekje.
Kleine spaarders
De beginjaren van het arbeiderssparen draaiden dus vooral om kleine spaarders. De grasduiner in het archief van de Spaarbank voor de Stad Amsterdam komt die term – ’kleine spaarder’ – voortdurend tegen. Het begrip moet het Amsterdamse Bank ManagementTeam tijdens vergaderingen voor in de mond hebben gelegen. Het is voor de historicus aardig dat de Spaarbank kennelijk graag wilde weten wat voor Amsterdammers het waren die zich regelmatig als nieuwe inlegger kwamen melden. In de jaarverslagen over 1910 en 1911 werden tabellen opgenomen, gebaseerd op de administratie van de bank en een recente beroepstelling. Deze tabellen wijzen uit dat in beide jaren meer dan zestig procent van de inleggersaanwas afkomstig was uit de arbeidersklasse. Het is dan ook aannemelijk dat de bank met de uitdrukking ’kleine spaarders’ juist die personen bedoelde. Over de jaren groeiden de Amsterdamse busjesspaarders in aantal. Het systeem viel in arbeiderskringen in vruchtbare aarde, en naarmate de tijd verstreek werd het populairder en populairder. Met name in de tweede helft van de jaren twintig is er sprake van een enorme groei van het aantal busjeshouders. Een correlatie met de welvaartsstijging begin jaren twintig ligt voor de hand: met enige vertraging werkt die door in het aantal spaaractieve busjeshouders.
Het is niet te gewaagd om te stellen dat in de tweede helft van de jaren 1920 sparen in de arbeidersklasse een aanzienlijk wijder verbreide gewoonte werd dan daarvoor. Dat geldt in ieder geval voor Amsterdam, maar hoogstwaarschijnlijk was het elders in Nederland niet anders.
In onze moderne ogen mag het busjeshouderssysteem nogal primitief en ook een tikje paternalistisch lijken, het was de eerste methode die was toegesneden op de maat van de mindere man, die van de noodzaak tot sparen al overtuigd was geraakt, maar wie het voor het geheel zelfstandig sparen nog aan voldoende discipline ontbrak.
Het gewone volk moest nog door de spaarbanken aan de hand worden genomen. Het geniale van de uitvinder van het huisbusjesspaarsysteem was dat hij dit inzag. De gedachte om de spaarder het beheer van de sleutel van zijn busje te onthouden, mag je ronduit briljant noemen.