Hugo Camps is een Belgisch journalist, columnist en schrijver. Hij publiceert in zowel Belgische als Nederlandse tijdschriften. Hij was in de jaren zestig oorlogsverslaggever en rapporteerde onder meer over de conflicten in Vietnam, Chili en het Midden-Oosten.

In mijn eerste Nederlandse jaren was België nog een plaspauze, op weg naar het zuiden.
België is een retorische natie. Dus toen ik in 1986 voor het weekblad Elsevier in Nederland ging werken, voelde ik een kaalslag van taal over me neerdalen. Woorden waren niet langer rond. Pas later ben ik de schoonheid van de Nederlandse skelettaal gaan inzien. Nog groter was de culinaire cultuurclash. Ineens zat ik ’s middags aan een broodje kaas en een glaasje karnemelk. Niks lunchcultuur. Als hoofdredacteur van een Belgische krant was ik gewend ’s middags te lunchen met diplomaten, ministers of zakenmensen. De lunchcultuur is heilig in het land van Kuifje. En dan geen lunch van een half uur, nee uren. Calvados en sigaar toe.
Nederlanders die in België zaken willen doen hebben geen keuze: eerst lunchen, dan onderhandelen. Niet rechttoe rechtaan kaarten op tafel. Er moet geantichambreerd worden, het liefst tot in persoonlijke gesprekken over het gezinsleven, de hobby’s, de politiek. Belgen hebben liever niet dat er over cijfers wordt gesproken tijdens de lunch. Dat is voor later, aan het einde van de namiddag.
Nederlanders zijn te gehaast, hebben geen trek in praatgrage rondedansjes. Ze drukken zich het liefst uit in cijfertaal. Dat irriteert Vlamingen. Wat ook irriteert is het luide spreken in het restaurant. In de ogen van Vlaamse zakenmensen hebben Nederlanders te weinig fluistertalent. Zij zouden de grote deals nog het liefst binnensmonds afhaspelen.Omdat Vlaamse bedrijven niet de internationale afmetingen hebben van de Nederlandse multinationals wordt er niet erg opgekeken tegen de CEO. Vlaamse eigenaars van middelgrote bedrijven onderhandelen zelf. Geldzaken geven ze niet uit handen. Ze hebben een hekel aan uitgebreide delegaties, houden de zaakjes graag onder vier ogen. Een algemeen directeur of een CEO is er voor de uitvoering, niet voor het sluiten van deals. Al is dat de laatste tijd aan het veranderen, nu ook familiebedrijven niet meer de hechte structuur van de eerste generatie hebben.
Nog een verschil: Nederlanders zijn redelijk ongevoelig voor attenties. Vlamingen kunnen niet zonder – het heeft allicht te maken met een minderwaardigheidscomplex. Ik ken zakenmensen die ieder jaar rond Nieuwjaar een kistje wijn opsturen naar hun Nederlandse collega met wie ze contracten hebben afgesloten of overnames geregeld. Omgekeerd zie je dat minder.Heel gevoelig liggen familiefeesten. Huwelijkspartijen van kinderen voorop. Dan worden halve dorpen uitgenodigd en geven collega-industriëlen acte de présence, soms lijfelijk, soms met een gepast relatiegeschenk. Het onuitgesproken adagium is: welstand en rijkdom mogen getoond worden. ”Het breed laten hangen,” noemen ze dat in het Vlaams. Afgezien van de parvenutijgers zijn Nederlanders iets ingetogener in het showen van bezit en welstand. Het heeft mede geleid tot het taaie clichë: ”Gierige Hollander.”
Al heel vroeg was ik Neerlandofiel: trouwe kijker van alle actualiteitenrubrieken. Vriend van Paul van Vliet, verzaligd door de roem van Ajax en Feyenoord, verslaafd aan de columns van Henk Hofland, Jan Blokker, Simon Carmiggelt… Ook nog een land met abortusklinieken - kwam daar in Vlaanderen eens om. Niet dat ik een begeleidende veelgebruiker was, maar de gedachte dat het kon, sloeg mijn christelijk verzuilde achtergrond helemaal aan gruzelementen. Nederland als antwoord op een heftig verlangen geseculariseerd te worden, of toch uit het katholieke keurslijf van schuld en spijt te kunnen treden. In het katholieke Limburg van de jaren zestig en zeventig, ook nog als hoofdredacteur van een katholieke krant, was dat een te hobbelig parcours met veel hypocriete bochten. Sommige bedrijfsleiders in Vlaanderen hangen nog vast aan hun geloof. Althans aan de rituelen ervan. Vooral in West-Vlaanderen speelt de kerk nog een rol. Al is het meer een kwestie van hypocrisie dan van geloof.
Dat de hoofdredacteur die me naar Elsevier riep, geheel vanzelfsprekend, aan zijn vierde vrouw toe was, vond ik een geruststelling. Dat de eindredacteur aan het eind van de dag ongegeneerd een joint opstak, bracht me terug in de kinderlijke sensatie van het eerste bloot in een film. Dat het kon, dat het mocht. Ik keek geweldig op tegen dat Hollandse lef.
Nu, 25 jaar later, weet ik dat lef niet altijd even betrouwbaar is. Soms zelfs een lege huls, in te vullen à la carte van opportunisme. Hollands lef is vandaag alleen nog krampachtig pragmatisme. Het appelleert niet meer aan het activisme van de jaren zeventig, en nog minder aan de verbeeldingskracht van de jaren zestig. Nog is Nederland een grotebekkenmaatschappij, maar dat ligt bestorven in het geestelijk niemandsland dat het inmiddels is geworden.Een bang land, vandaar ook hun idiote Atlantische pretenties. Een land dat op de knieën gaat voor Bush. De Belgische politieke, industriële en financiële wereld is niet Angelsaksisch georiënteerd.
Wij zitten op de as Parijs-Berlijn. Vooral in financiële kringen is de Franse invloed nog zeer tastbaar.
Het heeft ook met het koloniale verleden in Congo te maken. De nationale luchtvaartmaatschappij Brussels Airlines – het vroegere Sabena – is gespecialiseerd in Afrika. Bijna met monopoliepretenties.
Nederland wordt nu gezien als een bibbernatie. Alom angst. Angst voor het vreemde, angst voor Europa, angst voor tegensprekelijke argumenten en nuances, angst voor verlies van alles wat er aan zogenaamde identiteit is. Handen af van Sinterklaas! Het land van Wilders.Belgen koesteren een veelvoud van identiteiten
zonder dat ze zich daar bewust van zijn. De staat roept overigens vooral vijandbeelden op, zowel bij Walen als Vlamingen. Patriottisme is een theoretisch begrip. Het wordt niet echt beleefd.
Ik heb weleens verzucht: waar is toch het land van Hans van Mierlo gebleven? Jarenlang heb ik gehunkerd naar een politiek leider in België met het karaat van Van Mierlo. Alleen al zijn spreken was puur genot: erotiek. Een totaalpoliticus die van politiek romantiek maakte, en omgekeerd. Ik heb hem in al zijn politieke fases en anderszins van nabij gevolgd. Als partijleider van D66, als minister, als echtgenoot van Connie Palmen, als intellectueel. De vader van Paars. Als ik hem op televisie zag lopen in die rafelige beige regenjas, was ik al ontroerd. Altijd die blik van verwondering - als een kind in de snoepwinkel kwam hij voorbij. We hebben uren gepraat, dat wil zeggen: ik luisterde en zweeg. Altijd weer deed hij me denken aan het existentialisme van de jaren zestig. En wat je in de Belgische politiek zelden tegenkomt: ook nog een man met artistieke antennes. Belezen en vervuld van kunst. Er was een contemporaine schrijver waar hij niet tegenop kon: Hugo Claus. In zijn aanwezigheid verstilde de politicus. Verwondering maakte plaats voor schroom. Na van Mierlo ben ik in Den Haag alleen nog gemiddelde mannen tegengekomen.
Pim Fortuyn uitgezonderd. Ik kende hem als collega bij Elsevier. In zijn dagelijkse doen was hij een stuk minder gaullist en staatsman dan in zijn theatrale publieke verschijning. Zijn rubberen kurk was toch vooral rancune, wisten wij insiders. Het type dat bij een ex-geliefde stenen door de ramen ging keilen uit frustratie om de breuk. Ook nog faxen van anderhalve kilometer sturen. Een kindpoliticus. Soms wel grappig en charmant, maar er zat geen rem op zijn woede. Een gemeenschappelijke vriend heeft me ooit gezegd: ”Als Pim inderdaad minister-president was geworden met een gesticht als de LPF in de meerderheid, had hij op een dag zelfmoord gepleegd.”
In Wuustwezel loopt een grens tussen Nederland en België. En de grens wordt almaar dikker. Nog steeds begrijpen Nederlanders weinig van de belgitude. Al is er de laatste tijd in de onderlinge verhoudingen wel iets veranderd. In mijn eerste Nederlandse jaren was België nog een plaspauze, op weg naar het zuiden. Of het paradijsje waar bouwvakkers graag hun laatste vrijgezellenavond kwamen doorbrengen met drinkgelagen die eindigden in ritueel zeiken tegen de kathedraal. Vandaag is Antwerpen voor Nederlanders een culinaire attractie, opgeluisterd met snuisterijen in dure modewinkels. Het is bijna een metafysische omslag. Waar ze vroeger steile Godzoekers waren, zijn Nederlanders inmiddels afgezakt tot genotzoekers. Hun driesterrenrestaurants (Sergio Herman, Jonnie Boer) moeten overigens niet onderdoen voor onze fine fleur.
Eindelijk aangeraakt door het leven. Met dank aan Vlaamse schrijvers die de laatste jaren in Nederland op veel erkenning mogen rekenen. En ook aan Vlaamse captains of industry die nu sleutelposities bekleden in het Nederlandse bedrijfsleven en aan universiteiten. Om van de invasie van talentvolle Belgische voetballers nog te zwijgen.
Ik mag graag in Groningen en in Drenthe rondhangen. En in Amsterdam natuurlijk. Waar je mensen tegenkomt die nog niet karikaturaal gehinderd zijn door de demonstratieve zuiverheid van het blazoen. Wie je ook tegenkomt, altijd zit er water in het hoofd. De erfenis van mannen en vrouwen die het land veroverd hebben op zee houdt nooit op. In Amsterdam overheerst een prettig gevoel van autonomie. Je mag er dwalen en zoeken.
En zelfs vrouwen die in een jutezak lopen, zijn toch nog vrouwen. Leven zonder voorschrift, dat vooral heeft Belgen altijd naar Amsterdam getrokken. Op het thuisfront was dat anders, daar woedde de sociale controle. In de rest van Nederland is het vaak omgekeerd. In het Noorden dicteert het weer de wet. In Amsterdam heerst een ambiance van dialectisch nonconformisme. Ooit was ik zelfs gefascineerd door de penose van de Wallen, toen bordeelhouders en ritselaars nog van de shagmaffia waren. Rondborstige figuren die zich niet lieten smeken om een rondje en de liedjes van Johnny Jordaan en Tante Leen perfect uit het hoofd kenden. Vandaag is de criminele underground ruiger en harder geworden. Baantjer is dood.
Voor veel Belgen bestaat Nederland uit Amsterdam en omstreken. Groningen en Friesland kennen ze nauwelijks. Een Drent: is dat niet een curiosum? Er ligt nog veel toerisme braak voor Belgen in Nederland.
Ik ben een voetbalman. Mijn hele leven heb ik opgekeken tegen Johan Cruijff en Willem van Hanegem. En tegen coach Guus Hiddink die uit de Achterhoek komt, en nog steeds binnen de verbeelding van de armen valt, terwijl hij intussen wel multimiljonair is geworden. Wat mij aan Nederlandse topsporters altijd charmeert, is hun meertaligheid. Ze kwekken zich in de rondte in het Engels, Spaans, Italiaans … Alleen het Frans wil niet erg lukken. Ze voelen zich ook overal thuis. München of Barcelona maakt niet uit, al blijven ze ook daar naar Nederlandse tv-zenders kijken en komt er iedere dag Hollandse pot op tafel. En ’s ochtends natuurlijk hagelslag bij de boterham.
De eeuwigheid van de polder nemen ze overal mee, ook in het wereldburgerschap. Mooie paradox.
Het steekt Belgen dat Nederlandse zakenmannen zo gebrekkig Frans praten. Er worden zelfs grapjes over gemaakt. Altijd weer die Engelse stopwoorden – het ontketent bij sommigen zelfs een lichte allergie.
Nederland is minder leuk geworden, hoor je nu in Vlaamse intellectuele kringen. ”Agressie als levensvoorwaarde.” Of zoals Bas Heijne zegt: ”Het land van de manische mondigheid.” Daar staat tegenover: een niet meer eindigende roes van sentiment. De stille optochten, André Hazes in een doodskist op de middenstip van het voetbalveld, de bloemen- en waxineterreur bij smartelijke ongelukken. Het exhibitionisme houdt niet op. Je ziet het terug op alle televisiezenders, ook bij de zogenaamde kwaliteitsomroepen.
Iedereen Lady Di.
Ik ben Nederland dankbaar. En met name de journalistieke omgeving die ik er heb gekend. Veel zelfcensuur in mijn leven is weggenomen. Ik ben er vrijer en brutaler geworden. Schrijven zonder ogen in de rug, de verzuiling voorbij: het had iets van vrijheidstheologie. Meer dan Vlaanderen is Nederland een land van elementen. Het water, slagregens, mist, de wind, een zonsondergang in Friesland … het kan je stil maken.
En sprakeloos. Ik heb een tijdje rondgelopen met de gedachte ooit een fotoboek te maken van de wind. Van vele winden, want het waait anders in Drenthe dan in Zeeland. Holland: mozaïek van winden en briesjes met bijhorende woeste geluiden en neuriënde klanken: het transcendente komt dan toch dichterbij.
Anderzijds: de laveloze Oranjegekte bij voetbalwedstrijden van het Nederlands elftal vernietigt elke esthetische ervaring. Het hogere van kunst en metafysica finaal gesloopt. Daar blijkt weer dat Nederlanders altijd doorschieten in emoties. Niet dat nationale trots veel zou voorstellen, de inzet is het alibi om te hossen en te hijsen en zichzelf te verminken in idiote verkleedpartijen. Plastic klompen op het hoofd, dat werk.
Het is zelden stil in Nederland, al met al toch een lawaaierig volkje.